De Verbeke Foundation: tien jaar onaf

Kunstenaars mogen best vieze handen krijgen, vindt kunstverzamelaar Geert Verbeke, in een vorig leven transportondernemer. Zijn Verbeke Foundation in het Belgische Kemzeke, net over de grens bij Hulst, is een eigenzinnig, ongepolijst museum. Het bestaat tien jaar.

(Gepubliceerd in Trouw, 25 april 2017)

Geert Verbeke bij ‘1 m concrete evidence’ van Lodewijk Heylen. Foto: Joke de Wolf

Kijk, we naderen de snelweg’, wijst Geert Verbeke. Inderdaad, er staat zo’n blauw verkeersbord, en in de verte zijn auto’s te horen. We lopen door het park van de Verbeke Foundation, net buiten Antwerpen, aan de snelweg. En jawel. Dwars over het pad, midden tussen het groen, ligt één meter snelweg, 34 meter breed, met betonnen vangrails. En een lantaarnpaal in het midden, natuurlijk, het is een Bélgische snelweg. En het is een kunstwerk van de Belg Lodewijk Heylen.

Bij een wandeling over de Verbeke Foundation, een terrein van twaalf hectare natuurgebied en twee hectare overdekte ruimtes, struikel je bijna over grootschalige, onverwachte kunstwerken. Een reusachtige transparante koepel, opgebouwd uit simpele houten bielzen, met een ronde opening naar de lucht. Een kudde levensgrote paarden, opgebouwd uit gaas en klei, staat op een open plek, Theo Jansens lopende ‘strandbeesten’ van pvc-buizen hebben onderdak gevonden in een van de kassen. En nu staat er, nog maar net geïnstalleerd, ook een ‘groene kathedraal’ van Marinus Boezem, jonge populieren tussen een steigerwerk zo groot als de Baudelo-abdij in Gent.

Vieze handen

Verbeke (64), halflang wit haar met bakkebaarden, trui, werkbroek en bergschoenen, loopt ook op de dag voor de viering van het tienjarig jubileum van zijn museum met stevige, rustige passen rond over zijn terrein. Hij laat zich niet opjagen. Hij was directeur van een transportonderneming, gaf leiding aan tachtig man personeel, coördineerde het laden en lossen van containerschepen uit de Antwerpse haven en het vervoer over de weg. Dertien jaar geleden verkocht hij zijn bedrijf, en behield het terrein en de loodsen. Hij wilde, samen met zijn vrouw, de kunst die hij had verzameld aan de gemeenschap tonen. ‘Een kunstenaar heeft zijn werk immers niet alleen voor mij gemaakt.’

Het klinkt misschien als het verhaal van Joop van Caldenborgh, de Rotterdamse chemie-miljonair met museum Voorlinden, maar qua invulling zijn het tegenpolen. Is alles bij Voorlinden tot in de puntjes verzorgd, bij de entree van Verbeke’s museum staat het motto van het museum op A4-tjes scheef op de muur geplakt. Het museum wil geen oase zijn, ‘de show is onaf, in beweging, ongepolijst, contradictorisch, slordig, complex’, zoals de wereld buiten de museummuren. Geen gepolijste kunst dus, kunstenaars mogen best vieze handen krijgen, net als de directeur.

Inmiddels is de instelling een begrip. Bij het publiek, jong en oud, vaak uit Nederland, en bij kunstenaars. Naast aankopen en ‘adopties’ van kunstwerken die vanwege hun grootte vernietigd dreigen te worden – Verbeke takelde laatst nog een tien meter hoge vaas van de binnenplaats van het Gents Designmuseum – stimuleert hij ook de totstandkoming van nieuw werk. Kunstenaars die in zijn ogen interessant werk maken, kunnen een aantal maanden op zijn terrein verblijven en gebruikmaken van de ruimte en materialen die Verbeke verzamelt.

Verzamelziekte

Hoe word je van transportondernemer museumdirecteur? Begin jaren negentig zag Verbeke bij een klant een stalen beeld staan. Cortenstaal voor de kenners, roestig staal, drie meter hoog, loodzwaar. Hij vond het prachtig, dat een mens dát kon maken. En de kunstenaar wist niet hoe hij het moest vervoeren, dat deed Verbeke dus voor hem. Zo kwam hij vaker bij tentoonstellingen, verzamelaars en veilingen. Hij kocht wat, kocht nog wat, en zo werd hij besmet met, zoals hij het zelf noemt, de ‘ziekte van het verzamelen’.

Zijn eerste collage was er een van Jean-Jacques Gaillard (1890-1976), vriend van de Belgische schilder James Ensor. Collages, ontdekte hij, waren de winkeldochters van de kunsthandel. Men vond het niet interessant, dat knip- en plakwerk, en zo kon Verbeke de kunstwerken vaak voor een schijntje kopen.

De orangerie van de Verbeke Foundation

Hij heeft niets met grote namen, komt niet bij de grote veilinghuizen, gaat op zijn eigen gevoel af, de zoektocht is het leukst. Inmiddels heeft hij een verzameling van zo’n 4500 werken van Belgische kunstenaars sinds 1917, collages en assemblages (waarbij voorwerpen bij elkaar worden gemaakt tot iets nieuws). Een catalogus van de collectie, uitgegeven in eigen beheer, is precies klaar voor het jubileum. Wat hem aan die kunstvorm interesseert? ‘Mijn leven is zélf een collage’, vertelt hij bij een tas koffie in het museumrestaurant. ‘Je neemt bestaande voorwerpen, dingen die niet bij elkaar passen, en die voeg je samen, en dan ontstaat er iets nieuws. De maatschappij gooit zo veel weg. Bovendien zijn collages vaak de eerste stap bij het maken van een kunstwerk, een schets waarin je het hele werk al kunt zien.’

Toekomstdromen zijn er niet

Verbeke krijgt een telefoon in zijn handen gedrukt, aan de lijn een journalist die op zoek is naar de persattaché van het museum. Nee, die hebben ze niet, hij zit zelf het liefst hier, woont ook op het terrein. Hij heeft samen met Tineke Schuurmans, kunstenaar en ‘van alles’ voor het museum, een tafel in de honderd meter lange kantine in de voormalige opslagloods, bezoekers kunnen hen zo aanspreken. Hij krijgt en wil geen subsidie, de inkomsten komen van de verhuur van een deel van het restaurant, vrijwel dagelijks is er een groep. En het mooie is, vertelt Verbeke, zo komen er ook mensen die normaal niet naar een museum zouden gaan. De reacties van het publiek, de verbazing over wat een mens kan maken, daar gaat het om.

De Franse kunstenaar Patrick Tresset is hier voor het eerst, en ook gecharmeerd van de laagdrempeligheid. Hij is in een van de tentoonstellingsruimtes bezig met de laatste details van zijn installatie voor de jubileumtentoonstelling. ‘Animal, Man, Machine’. Kunst met de natuur, met dieren, levend weefsel, ook wel bio-kunst, is een van de andere verzamelgebieden van Verbeke. Tresset toont een installatie waarbij hij een robot, met behulp van een camera, een tekening laat maken van een opgezette vos, bezoekers kunnen zich ook laten portretteren.

Toekomstdromen kan Verbeke niet geven, het museum en het park zullen blijven groeien, roesten, rotten en bewegen. Die vrijheid, dat is heerlijk. O ja, hij gaat zonnepanelen op het dak installeren, en een aantal grote accu’s ernaast. Dan kan hij ook de kabel naar het electriciteitsbedrijf doorknippen.

Ook voor mensen die niet naar musea gaan

De Verbeke Foundation ligt in Kemzeke, België, net over de grens bij Hulst. Het museum is open van woensdag tot en met zondag, van 11 tot 18 uur, entree 12 euro.

Overnachten kan ook, in de CasAnus van Joep van Lieshout (een tweepersoons-hotelkamer in de vorm van een menselijke darm), of in de Campingflat van Kevin van Braak: vier koepeltentjes zijn opgesteld in een 12 meter hoge steigerconstructie, elke verdieping is voorzien van kunstgras.

verbekefoundation.com