De gelaagde werkelijkheid van Emo Verkerk

Verschenen in Trouw, 15 november 2014
Verschenen in Trouw, 15 november 2014

Emo Verkerk maakt al meer dan dertig jaar kunst, en zijn werk zit in verschillende belangrijke collecties. Toch zijn zijn schilderijen en beelden niet vaak samen te zien geweest. Vandaag opent in het Gemeentemuseum Den Haag een tentoonstelling.

‘Goh, dat ziet er wel goed uit zeg, wat een ervaring, om al dat werk terug te zien’ Emo Verkerk kijkt z’n ogen uit als hij voor het eerst de tentoonstellingsruimtes binnenkomt waar z’n werk net is opgehangen. Sommige werken had hij jaren niet gezien, en nu hangen ze allemaal samen in Den Haag.
‘Het is ook zo’n mooie ruimte – en kijk nou hoe goed die kamers werken!’ Verkerk – grote gestalte, witte haren en stralende blauwe ogen – heeft het meestal niet zo op de gewichtig doende kunstwereld. Niet dat zijn schilderijen oppervlakkig zijn – integendeel. Vaak ontdekt hij de diepere lagen pas achteraf, als hij er opnieuw naar kijkt, of door gesprekken, bijvoorbeeld met oude vriend (en hoofdconservator van het Haagse museum) Hans Janssen. Een aantal van die gesprekken zijn opgenomen in de catalogus die bij de tentoonstelling verschijnt.
Verkerk, die al twintig jaar in Den Helder woont (‘lekker rustig, en ik heb de ruimte’) werkt in fases. Zodra hij weet dat hij ‘het’ te pakken heeft, is het af, en begint hij met een nieuw onderwerp. De ‘werking’ van het schilderij of beeld is daarbij doorslaggevend. Vaak begint hij met een portret van een schrijver die hij bewondert, of een ander bekend persoon: Spinoza, Joseph Roth, Gerard Reve, Jimi Hendrix, Venedikt Jerofejev, maar het kan ook z’n eigen zoontje zijn, zittend aan het roer van Verkerks zeilboot. Anders dan die ándere schilder die vaak ‘bekende’ beelden gebruikt, de Belgische Luc Tuymans, werkt Verkerk niet met foto’s. ‘Het gaat me niet om het letterlijke naschilderen, niet om het beeld. Eerder om diepte, structuur, dynamiek. Hoe je zo’n beeld ervaart, waarneemt.’
Vaak verwerkt Verkerk in de structuur van het kunstwerk een extra laag. Zoals bij het portret van Bet van Beeren, ‘de koningin van de Amsterdamse Zeedijk’, dat hij in 1982 maakte. Het is een uitgesneden portret, met een groot gat van wenkbrauwen tot over de mond. ‘Maar je moet het niet als een masker zien, het is gewoon zo ontstaan.’ De laatste jaren worden de portretten kleiner, en krijgt de achtergrond meer ruimte. Soms zijn de schilderijen driedimensionaal, en krijgt Shakespeare bijvoorbeeld een naar voren stekende neus, of hangt er een vissersnet voor een portret van een van zijn grootste helden, de Russische schrijver Jerofejev.
Verkerk studeerde ooit even filosofie, en Nederlands (‘dat was vooral een cursus vergadertechnieken, in die tijd’), en moest toen van z’n ouders zelf maar voor z’n geld zorgen. Dankzij een rustig baantje met veel tijd om na te denken en eigen dingen te maken, en een interview dat hij zag, waarin kunstenaar Francis Bacon werd geïnterviewd door David Sylvester, wist hij dat hij kunstenaar moest worden. De toelatingscommissie van de opleiding ‘Ateliers ’63’ in Haarlem nam hem aan zonder zelfs maar een toelatingsgesprek te hoeven doen – ‘ze zagen m’n werk, en dat vonden ze blijkbaar goed’.
Die diepte ontstaat soms door de achtergrond steeds weer opnieuw te schilderen, totdat het klopt. Wanneer het klopt? ‘Dat is iets wat je moet zien, en weet wanneer je moet stoppen. Soms kan het maanden duren, en dan gebeurt er wat, en dan weet ik het opeens.’ Zo vertelt conservator Janssen hoe een bezoek aan het sterfbed van Jaap de Vries – ‘zo’n Amsterdammer die een eigen vloekwoordenboek had kunnen schrijven’ – Verkerk de oplossing gaf voor het schilderij waar hij Pavel Katenin op had afgebeeld: De Vries ligt nu schuin achter de Russische veldheer en ondersteuner van kunstenaars uit de Romantiek. Ook Verkerks interesse voor vogels ontstond door een sterfgeval: het overlijden van zijn vader. Verkerks moeder vroeg of hij een vogeltje wilde maken voor op z’n vaders graf. Dat was er één, nog één, totdat hij een hele serie had.
Buiten, zittend bij de vijver voor het museum, met een sigaretje, vertelt Verkerk verder. ‘Ik geloof dat de ruimtes van m’n kindertijd veel invloed hebben gehad op m’n werk. M’n opa was architect en aannemer, z’n tekentafel stond in z’n werkkamer, met zo’n mooie hardboard vloer. Hij was zo iemand die z’n meubels zelf maakte, of aanpaste. In die kamer hing een schilderij dat m’n vader gemaakt had, van een tijger, in een lijstje van m’n opa. Ook zij zagen dat je je eigen werkelijkheid kunt maken. Net als Berlage trouwens.’ (wijst op de letters van het woord ‘museum’ op het gebouw). ‘Zie je die eenvoud van die letters? Meesterlijk toch?’

Emo Verkerk in Den Haag
Zo’n negentig schilderijen en objecten, gemaakt tussen 1978 en 2014, grotendeels afkomstig uit privécollecties, zijn verzameld voor de overzichtstentoonstelling in het Gemeentemuseum. Het werk is min of meer thematisch verdeeld over de zalen, genoemd naar typische Verkerk-thema’s: ‘Droomkamer’, ‘Logeerkamer’, ‘Mechaniekenkamer’, ‘Membranenkamer’ en ‘Rookkamer’. Verkerk heeft niet vaak tentoonstellingen, in 1988 was de laatste, in het Amsterdamse Stedelijk Museum.

De tentoonstelling ‘Emo Verkerk: Graag of niet’ is tot 15 februari 2015 te zien in het Gemeentemuseum Den Haag, de catalogus kost 29,95 euro