Gainsborough schilderde mensen van vlees en bloed

Verschenen in Trouw, 2 april 2016
Verschenen in Trouw, 2 april 2016

Hij was een van de grotere Engelse schilders, maar tot nu toe was hij niet of nauwelijks te zien in Nederland. In Enschede straalt Thomas Gainsborough voor het eerst.

Thomas Gainsboroughs beroemdste schilderij is ‘Blue Boy’, en dat is vooral bekend geworden als voorbeeld voor een personage van Quentin Tarentino. De Amerikaanse regisseur nam het portret van een jongen in glimmend blauw kostuum als model voor de kleding van de slaaf Django uit de film Django Unchained uit 2012. Gainsborough had de jongen óók al naar een voorbeeld geschilderd, namelijk dat van de 17e-eeuwse Vlaamse schilder Antoon van Dyck.
En laat nou net dat schilderij niet in Enschede te zien zijn – het kon niet geleend worden van het Amerikaanse museum waar het hangt. Het is een kleine teleurstelling bij de verder bijzonder volledige en zorgvuldig samengestelde tentoonstelling van schilderijen, tekeningen en brieven van Thomas Gainsborough (1727-1788).

Thomas Gainsborourh, The blue boy, ca. 1770. The Huntington, San Marino, CA.
Thomas Gainsborourh, The blue boy, ca. 1770. The Huntington, San Marino, CA.

Gainsborough werd in zijn eigen tijd al geroemd om zijn portretten, en ook in Enschede is duidelijk te zien waarom. Lastig, want ‘portretten’ is niet de term waar je publiek mee lokt. Zelfportretten kunnen nog een ‘kijkje in de persoon van de kunstenaar’ bieden, maar willekeurige personen uit een ver verleden? Slim dus dat het museum voor een andere invalshoek koos – het werd ‘Gainsborough in eigen woorden’ – maar zodra je binnen bent, begrijp je dat het hier om een buitencategorie portretkunst gaat. Bij Gainsborough, zo is vanaf het begin van de tentoonstelling te zien, is namelijk geen sprake van willekeur. Anders dan zijn tijdgenoten (zoals zijn rivaal, Joshua Reynolds) maakte Gainsborough geen geïdealiseerde afbeeldingen van zijn opdrachtgevers, maar persoonlijke weergaves van de mensen tegenover hem. Ménsen dus, van vlees en bloed, met elk hun eigenaardigheden. Zijn eigen vrouw, Margaret, bijvoorbeeld. Hij portretteerde haar ieder jaar rond hun huwelijksdag. En natuurlijk kan je zo zien dat ze op het portret uit 1785 ouder is dan in 1758. Maar je ziet ook de invallende ogen, een steviger kin, een rodige huid, én een liefdevolle blik.
Zijn vrouw en twee dochters dienden als dankbaar oefenmateriaal. Gainsborough was geboren in Suffolk, kreeg een opleiding als portretschilder in Londen, en keerde eerst weer terug naar z’n geboortegrond. Gainsboroughs talent wordt ontdekt én uitgebuit zodra hij in 1759 verhuist naar Bath, ten westen van Londen. Daar kwam de hele Londense jetset om te gokken, te dansen én om een portret te laten maken. Gainsborough raakt bevriend met muzikanten, en via die connecties krijgt hij steeds meer opdrachten.
In de tentoonstelling is de tweede zaal, met aan de muur een groot aantal van die portretten, stemmig ingericht met kostuums en muziekinstrumenten. En daar stralen ze, de gravinnen, ladies en sirs. Een gezicht vaak zo zacht en fijn geschilderd dat het pastel lijkt, de kleding glimmend of dof, zonder kitsch te worden. Niet alle portretten zijn even geslaagd, maar dat maakt juist dat je ook als bezoeker ontdekt wanneer de kracht van de kunstenaar wél naar voren komt – bijvoorbeeld bij het portret van David Garrick, die ondanks zijn gedateerde kostuum zó een gesprek met je zou kunnen aanknopen.

Stroperige bossen
Vreemd genoeg was Gainsborough zelf helemaal niet zo enthousiast over zijn portretten – hij was veel liever landschapsschilder geweest. Het lastige was, dat dat genre in Engeland nauwelijks populair was, en dus ook veel minder geld opleverde. Al vroeg zag de kunstenaar in Ruysdael zijn grote voorbeeld – een prachtige tekening, een kopie van een schilderij van de Hollandse meester, laat die bewondering ook in de tentoonstelling zien. Net als in de portretten was daarbij de ‘werkelijkheid’ voor Gainsborough belangrijker dan een ideaalbeeld. Die werkelijkheid van zijn eigen omgeving was bovendien snel aan het veranderen – in Engeland kwam de Industriële Revolutie immers al vroeg op gang. Gainsborough ging dus wel precies op zoek naar de plekken die nog niet veranderd waren.
In de landschappen die in Enschede zijn verzameld, zie je zijn zoektocht naar een eigen stijl. ‘Modern’ noemen de tentoonstellingsmakers het – je kan het soms ook gewoon onhandig noemen, zoals de streperige bossen en onhandige wolkenluchten laten zien.
Nee, dan toch maar de portretten. Een ingetogen, bijna Rembrandt-achtig portret van Mary, Duchess of Montagu bijvoorbeeld, uit 1768. Gainsboroughs afkomst -zijn vader was stofhandelaar – kwam hem vaak te pas, zo ook hier: je kunt het zwarte en witte kant van de kleding van de hertogin bijna op het doek zien liggen.
Een eigenaardig dubbelportret van de dochters Gainsborough, Margaret en Mary, is de uitsmijter van de tentoonstelling. Hij schilderde ze in 1758, toen ze tien en zes jaar oud waren, maar het zou ook een tweeling kunnen zijn, zo sterk lijken ze op elkaar. Hun huid is bijna transparant, en je kan de vertrouwdheid van de kinderen met de kunstenaar van hun ogen aflezen. De kunstenaar maakte het als één schilderij, maar is al vroeg uit elkaar gehaald, en pas in de negentiende eeuw werden de twee weer herenigd. Nu vormen ze een passende afsluiting voor een tentoonstelling die ook zonder het beroemde meesterwerk het meesterschap van Gainsborough toont.

vier sterren
Gainsborough in his own words, Rijksmuseum Twenthe in Enschede, tot 24 juli. Rijksmuseumtwenthe.nl