Job Koelewijn

Verschenen in Babel in januari 2005

‘Be more specific’ staat er in grote groene letters een paar keer op de muur; ze zijn afkomstig van een manshoge stempel die ernaast ligt, met de groene verf er nog op. Het zou zo een verwijt kunnen zijn naar de stad waar het werk zich bevindt: Almere, een stad met sinds kort 175.000 inwoners, blinkt niet uit in originaliteit of variatie. Maar dit zal niet de eerste intentie zijn geweest van Job Koelewijn, de maker van het kunstwerk. Aan de hand van de overzichtstentoonstelling van zijn werk die in het Museum De Paviljoens wordt gehouden, wordt de bezoeker meegenomen naar een andere wereld, een wereld waarin Vinexlocaties en hanggroepjongeren nog lang niet zijn gesignaleerd.

Job Koelewijn (Spakenburg, 1962) vertrok in 1998 naar Amerika, om daar, zoals zo veel jonge kunstenaars, proberen door te breken. Het grote succes bleef uit, maar nu is er in Nederland dan toch een grote en langdurige overzichtstentoonstelling van zijn werk. En dat werk laat zich moeilijk onder één noemer vatten. Bij zijn eindexamen op de Rietveldacademie in 1992 liet hij zijn moeder en twee tante’s in de klederdracht van Spakenburg de ramen lappen van het academiegebouw; op de tentoonstelling is een werk dat bestaat uit babypoeder, en even verderop zijn brede stroken gele spaghetti over de vloer gedrapeerd. Met een uitleg en een foto van het werk kom je bij Koelewijn niet veel verder, de toeschouwer wordt, meer dan bij welke andere kunstenaar dan ook, aangezet tot een  ‘ervaring’, of reflectie.

En die ervaring komt al bij het eerste werk. Een soort levensgroot mobile, gemaakt van horizontaal op elkaar gelegde balken van spiegelglas. De eerste associatie is een DNA-streng, maar als je er voorbijloopt, worden er door de spiegels steeds onderdelen van je eigen lichaam gereflecteerd. De toeschouwer wordt onderdeel van het kunstwerk, door de spiegels, maar ook door de vorm; de draaiende beweging heeft een aantrekkend effect, je blijft om het werk heenlopen, je blijft naar jezelf kijken.

Even verderop in de verder erg sobere, hoge ruimte is één vierkante meter omgeven door rolluiken. De bezoeker gaat op de kleine verhoging staan, en de rolluiken gaan langzaam naar beneden. In eerste instantie ben je je nog bewust van het museum om je heen, en de andere bezoekers, maar naarmate de luiken verder zakken, komen andere associaties boven. Het hoogtepunt bestaat uit het moment dat de luiken zich helemaal sluiten om je heen, en er werkelijk totale duisternis is. Hoe rationeel het allemaal ook is te verklaren wat er gebeurt, of wat er dus eigenlijk niet gebeurt, het levert waarschijnlijk bij elke bezoeker een fracitie van een seconde een claustrofobische reactie op.

Toch is Koelewijn niet alleen uit op puur fysieke ervaringen en associaties, ook met taal en geur kan veel worden geassocieerd. Zo is er een lage ruimte, waar langs alle kanten een houten buitenmuur lijkt te zitten zoals  oudhollandse vissershuizen die hebben. Maar zodra je de ruimte inloopt, komt de geur van nostalgie en kinderliedjes je tegemoet; de zogenaamde‘planken’ zijn gemaakt van babypoeder. Je komt binnen in een herinnering, maar van wie eigenlijk?

Een nieuw werk is speciaal in elkaar gezet voor de tentoonstelling, met de hulp van een middelbare school. Over alle wanden van het losstaande paviljoen zijn bouillonblokjes gestapeld als bakstenen, ingepakt in gedichten van ondermeer Marsman, Van Ostaijen, Lucebert en Beckett. De muren zijn aardig om te zien, maar het is vooral de geur van de bouillonblokjes die indringend is, eerst nog wel aangenaam, maar al snel overheersend. Volgens de kunstenaar worden in dit werk twee levens-elixers met elkaar gecombineerd; bouillon sterkt het lichaam, gedichten de geest. Toch blijven de elixers van de toeschouwer afgeschermd; de gedichten zijn niet te lezen, en de bouillon blijft wel een half uur in je neus zitten, maar werkt niet bepaald versterkend.

In deze prachtig ingerichte overzichtstentoonstelling lijkt ‘ervaring’ centraal te staan, of, zoals de lange titel aangeeft, fantasie. Met een beetje fantasie ben je niet meer in Almere, maar in een virtuele geheugenwereld, waar je je eigen hoofdrolspelers een rol laat spelen. Dat je hierin heel vrij wordt gelaten, daar moet je maar mee om kunnen gaan, zo lijkt de boodschap te zijn.

Toch is er een heel klein, maar erg aardig tipje van de sluier over het fantasieleven van de kunstenaar zelf. Op een muur is een A4-tje geprikt, met daarin een ingevuld “Schedule of Moments”. Elke dag van de maand november heeft Job aangevinkt in een schema hoe vaak hij verwonderd, boos, devoot, moedig, of wilskrachtig was. Over de maand gezien heeft hij éénmaal mededogen, voelt hij 27 maal interne sexuele driften, en twijfelt hij maar liefst 73 maal. Had de tekst van de stempel misschien niet alleen maar met het stempelen te maken….

 

Leave a Reply