Geschiedschrijving volgens Unesco

Memory of the world

Gepubliceerd in Babel, februari 2006

Wanhoop, chaos en ongeluk: dat is wat er van komt als je alle kennis wil bezitten; alleen de hoop op een beter resultaat houdt jezelf dan nog in leven. Dit is in het kort de boodschap van de schrijver Jorge Luis Borges in het verhaal ‘De bibliotheek van Babel’. Bij de UNESCO, United Nations Educational, Scientific and Cultural Organisation, denken ze de oplossing voor het kennisprobleem gevonden te hebben. Met het project ‘Memory of the world’ wordt ten doel gesteld ‘het vastleggen en bewaren van het collectief geheugen van de hele wereld met behulp van de een aantal unieke documenten met grote historische waarde’. Continue reading Geschiedschrijving volgens Unesco

Wereldwijd hetzelfde nieuws?

Gepubliceerd in Babel, juli 2006

World Press Photo is wereldwijd een begrip. Jaarlijks zien tienduizenden mensen de rondreizende tentoonstelling. Ook deze zomer kan je op vele zonnige vakantiebestemmingen de foto’s van de ellende in de wereld bekijken. Ieder jaar weer mooie foto’s van vreselijke dingen voor alle wereldburgers. Maar in hoeverre kan een dergelijke show onpartijdig zijn én wereldnieuws laten zien? Continue reading Wereldwijd hetzelfde nieuws?

Getijdenboeken in Nijmegen: een race tegen de klok

Gepubliceerd in Babel, oktober 2005
‘Nooit eerder gezien, nooit meer te zien’ is het motto van de tentoonstelling in het Nijmeegse museum Het Valkhof rond een vijftiende-eeuws getijdenboek, gemaakt door de gebroeders Van Limburg. ‘Nooit eerder gezien’, want tot voor kort lagen de bijzondere bladen ingebonden als boek in een kluis in het Metropolitan Museum of Art in New York. ‘Nooit meer te zien’, omdat ze na de restauratie die ze hebben ondergaan weer als boek in New York zullen worden bewaard. Continue reading Getijdenboeken in Nijmegen: een race tegen de klok

Moraal met een knipoog

Michel Houellebecq, De mogelijkheid van een eiland
Verscheen in Babel, november 2005
Je zou er bijna in geloven. Een wereld in het jaar 4000 waarin ouderdom niet bestaat, waar lichamen geen behoefte hebben aan voedsel, informatie of sex; waar de reproductie volautomatisch wordt geregeld met behulp van kloontechniek. Geen zeurende kinderen, geen bejaardentehuizen, geen sterfelijkheid. Deze neo-mensen leven in steden, en blijven leven door zich te voeden met zonlicht, water en mineralen, een succesformule die is overgenomen uit de plantenwereld. Continue reading Moraal met een knipoog

Job Koelewijn

Verschenen in Babel in januari 2005

‘Be more specific’ staat er in grote groene letters een paar keer op de muur; ze zijn afkomstig van een manshoge stempel die ernaast ligt, met de groene verf er nog op. Het zou zo een verwijt kunnen zijn naar de stad waar het werk zich bevindt: Almere, een stad met sinds kort 175.000 inwoners, blinkt niet uit in originaliteit of variatie. Maar dit zal niet de eerste intentie zijn geweest van Job Koelewijn, de maker van het kunstwerk. Aan de hand van de overzichtstentoonstelling van zijn werk die in het Museum De Paviljoens wordt gehouden, wordt de bezoeker meegenomen naar een andere wereld, een wereld waarin Vinexlocaties en hanggroepjongeren nog lang niet zijn gesignaleerd. Continue reading Job Koelewijn

Studententypen: de kunsthistorica

Verschenen in Babel, april 2005, in de rubriek Studententypen
25 uur. Dat is volgens een onderzoek van het NRC-Handelsblad de tijd die de studente kunstgeschiedenis per week besteedt aan haar studie. Staatssecretaris Rutte gebruikte de uitspraak maar al te graag in het debat over de nieuwe onderwijsplannen; hoe kan je een student die zo weinig aan zijn studie besteedt nog een student noemen? Het is het ongeluk van de kunsthistorica in spé.
De studente kunstgeschiedenis is per definitie een meisje dat is opgegroeid in de omgeving van Aerdenhout of Laren, en dat hoor je nog steeds als ze haar mond open doet – iets wat overigens weinig gebeurt buiten de werkgroepjes. Ze heeft een riant appartement in de Pijp dat door haar ouders wordt betaald. Ze studeert omdat haar ouders dat van haar verwachten, en aangezien onze studente per definitie een braaf en volgzaam meisje is, voldoet ze dus in alles aan haar ouders’ verwachtingen. Studeren voor een goedverdienende baan is niet nodig; het geld wordt ter zijner tijd wel verdiend door de rijke man die ze zonder moeite aan de haak zal slaan; over haar uiterlijk heeft ze zich nooit zorgen hoeven maken.
Kortom: materiele zaken zijn slechts een bijzaak in het leven van de kunsthistorica, het echte leven begint pas bij de Kunst.
Het liefst zou de studente zich de hele dag verliezen in de details van de Carolingische en Merovingische handschriften, wegzwijmelen bij de beelden van Michaelangelo en Canova, en heimelijk genieten bij de erotisch getinte performances van Marina Abramovic. Urenlang kan ze -onder het excuus van een onbetaalde stage- dwalen door de gangen van het Rijks of het Stedelijk, het Uffizi of het Louvre, het MoMa of het Guggenheim. Afstanden en reiskosten zijn gezien haar achterban geen enkel probleem.
Wat wel een probleem is, is dat er een diploma moet komen; hoewel de tijd er al vele jaren stil lijkt te hebben gestaan, is ook het Kunsthistorisch Instituut aan de Herengracht onderdeel van de UvA. Met alleen kijken is geen diploma te verdienen, er moet dus geschreven worden. Op basis van beschouwingen uit tijdschriften die al sinds hun verschijnen in 1909 niet meer van de plank in de bibliotheek zijn gekomen, schrijft de studente ijverig over de ‘dubbele entiteit die ontstaat als gevolg van het aanschouwende subject door toedoen van de spiegel een object is geworden’ en over ‘het vertekende vrouwbeeld dat de kunstenaar opliep door de oidipale relatie met zijn moeder’. Dat de teksten die ze schrijft slechts begrepen worden door haar medestudenten en de docenten, verhoogt voor haar alleen maar de verheven status van de kunst in de wereld.
 Een groot gemis in deze kunstminnende vrouwenwereld is de man. Zo nu en dan duikt er een exemplaar op in een werkgroep, maar een grote macho is het nooit. Geïntimideerd door hooglopende discussies over de penisnijd in het werk van een Amerikaanse actionpainter, in combinatie met veel vrouwelijk schoon, houdt hij bedeesd zijn mond. Gelukkig wordt dit manco opgevuld door een onwaarschijnlijk hoge dosis mannelijke professoren.
Hoe is nu te verklaren dat de kunsthistorica van Rutte maar zo weinig tijd aan haar studie besteedt, hoewel niets haar in de weg lijkt te staan? Het antwoord is eenvoudig: ze heeft het te druk. Het staren naar een afbeelding in een boek of op een dia, maar het liefst uiteraard in een museum, is een tijdrovende bezigheid. Tel daar de verplichte excursies naar Florentijnse villa’s en Zuid-Franse steden bij op, de eindeloze borrels bij de opening van exposities, in combinatie met het noodzakelijke netwerken niet te vergeten, en er blijft weinig tijd meer over voor een serieuze studie.
Een beetje begrip voor het probleem van de aankomende kunsthistorica zou wel gepast zijn.