Getijdenboeken in Nijmegen: een race tegen de klok

Gepubliceerd in Babel, oktober 2005
‘Nooit eerder gezien, nooit meer te zien’ is het motto van de tentoonstelling in het Nijmeegse museum Het Valkhof rond een vijftiende-eeuws getijdenboek, gemaakt door de gebroeders Van Limburg. ‘Nooit eerder gezien’, want tot voor kort lagen de bijzondere bladen ingebonden als boek in een kluis in het Metropolitan Museum of Art in New York. ‘Nooit meer te zien’, omdat ze na de restauratie die ze hebben ondergaan weer als boek in New York zullen worden bewaard.
Nu  zou dus het moment zijn om de platen te bekijken. Maar dat moment is wel erg kort, als het aan het museum ligt.
Rond 1400 vertrekken drie broers, Herman, Paul en Johan van Limburg, vanuit hun geboortestad Nijmegen in het hertogdom Gelre naar het Franse hof. Ze zijn opgeleid als miniaturist en onderhouden goede contacten met de adel; ze komen in 1405 in vaste dienst bij de hertog Jean de Berry, de broer van de Franse koning. De broers maken kleurrijke boekschilderingen voor getijdenboeken; dit zijn in de late Middeleeuwen niet alleen kalenders met daarop een houvast voor de terugkerende heiligendagen, het zijn ook statussymbolen voor de opdrachtgever. Les Petites Heures, Les Belles Heures en Les Très Riches Heures worden met veel zorg verluchtigd. Wat de platen bijzonder maakt, is dat de mens en zijn handelingen worden geïntegreerd in de natuur en deze natuur zelfs wordt geïdealiseerd; zo schilderen de broers spreeuwen die graantjes pikken in februari, en de schaduwen van de zaaiers op de grond in oktober. Ook Johan Huizinga prijst in zijn Hersttij der Middeleeuwen de grote vertelkracht van de beelden.
In tegenstelling tot grote schilderijen in kerken en andere openbare ruimtes zijn de getijdeboeken in eerste plaats bedoeld voor persoonlijk gebruik, en dus van klein formaat – de tentoongestelde platen zijn niet groter dan een a4. En ondanks de allernieuwste technieken kan hier ook 600 jaar later weinig aan worden veranderd. Dat is geen probleem zolang de handschriften alleen te bezichtigen zijn in een bibliotheek, maar het wordt problematisch als de platen ‘het culturele hoogtepunt van de viering van 2000 jaar Nijmegen’ moeten vormen, zoals de folder aankondigt. Dit is dan ook waar de tentoonstelling een grote fout begaat.
Hoewel de omliggende zalen aardige achtergrond informatie bieden over het Nijmegen van de vijftiende eeuw en de beeldtraditie tot dan toe, en enkele prachtige verluchtigde handschriften toont, verwijst elk onderdeel naar de platen van de Belles Heures – de andere boeken van de broers zijn niet volledig te zien, en dit is het enige werk dat voltooid werd. De platen van de Belles Heures staan naast elkaar in vitrines in een zaal met gedimd licht. Bij aankoop van de toegangskaart voor het museum wordt ook een kaartje uitgedeeld met daarop een tijd waarop de bezoeker dit mag aanschouwen. Iedere tien minuten kunnen er zo veertig mensen bij de miniaturen.  De platen zijn prachtig van kleur, onvoorstelbaar gedetailleerd en tegelijkertijd soms verbazingwekkend eenvoudig. Het zijn fragmenten van de heiligenlevens; zo zien we de heilige Catharina aan de geselpaal, en de verkondiging aan de herders waarbij je zelfs een schaap een blaadje ziet eten. Maar juist vanwege deze detaillering is het onmogelijk om in tien minuten alle 17 platen te kunnen bestuderen. Vooral niet als er nog 39 andere bezoekers staan te dringen. Met een belletje wordt de bezoeker erop attent gemaakt dat het hoogtepunt voorbij is. Rest niets anders dan een laatste blik te werpen op de kleine meesterwerken en de laatste twee zalen te doorlopen.
Het is natuurlijk jammer dat de meest beroemde platen, die van de Très Riches Heures, het museum in Frankrijk niet mochten verlaten; de teleurgestelde bezoekers krijgt als troost alleen een absurde computeranimatie te zien in de eerste zaal. Maar met een andere opstelling had elke bezoeker tenminste de tijd gehad om de andere prachtige platen te bewonderen. De nadruk ligt nu volledig op het onderdeel dat maar héél even te zien is. Haast is wel het laatste waar de platen van gediend zijn. 600 jaar waren de platen zorgvuldig opgeborgen; deze belangrijke cultuurschatten verdienen meer eer.
Het hoogtepunt van de tentoonstelling bevindt zich in werkelijkheid enkele zalen verder: de museumwinkel verkoopt prachtige facsimile-uitgaven van de getijdenboeken. Hiermee kan je thuis, in je eigen tijd, rustig wegdromen zonder te worden weggejaagd door de bel.
 
 

 

Leave a Reply