De magie van de muze

Gepubliceerd in Trouw, 23 juni 2015
Gepubliceerd in Trouw, 23 juni 2015

Een muze wordt vaak afgedaan als een inspirerend (naakt-)model voor een kunstenaar. Een tentoonstelling in Haarlem laat zien dat de muze meer diepgang heeft dan dat.

‘Het was een voordeel dat ik niet blond ben, maar donker. In blond haar kun je minder noten kwijt.’ Hedwig de Beer heeft het over ‘Portret van Hedwig’, dat haar levensgezel Jurriaan Andriessen (1951-1991) tussen 1977 en 1983 van haar maakte. Het is volledig opgebouwd uit muzieknoten, fragmenten van door de componist zelf gecomponeerde muziek. Tegelijkertijd beeldt de partituur ook het gezicht uit van De Beer. ‘Een werk van liefde’, noemt ze het zelf; ze was de muze van de jong gestorven Andriessen.
De Beer was de ‘klassieke’ muze voor de kunstenaar: een vrouw die hem inspireerde tot het maken van kunst. Museum De Hallen in Haarlem heeft de zomertentoonstelling dit jaar gewijd aan de muze in Nederlandse kunst sinds 1850. Daarbij is geput uit eigen collectie, met veel aanvullingen uit andere Nederlandse musea.
‘Bezing mij, o muze’, zijn de eerste woorden van de Odyssee, het Griekse heldenepos over de zwerftochten van Odysseus. De muzen waren in de tijd van schrijver Homeros, in de achtste eeuw voor Christus, de negen godinnen die de kunsten en wetenschappen inspireerden en beschermden. Zeven hadden een kunstvorm onder hun hoede, maar geen van hen was verantwoordelijk voor de beeldende kunst. Alsof die geen muze nodig had.
Terecht, bleek al snel. Want de muzen werden vanaf de Renaissance zélf een geliefd onderwerp voor beeldend kunstenaars. In Italië en ook in Nederland: Hendrick Goltzius (1558-1617) maakte er gravures van, en in zijn schildershandboek van 1678 omringt Samuel van Hoogstraeten de schilder met muzen. En ook binnenshuis kwamen de muzen in beeld: op de deur van haar poppenhuis liet de 18e-eeuwse koopmansvrouw Sara Rothé de negen muzen schilderen. De deur, en de andere ‘oude’ kunstwerken, zijn nu te zien in een speciaal ingerichte ‘muzenzaal’ in het verderop gelegen Frans Halsmuseum.
De tentoonstelling in De Hallen is thematisch ingedeeld, en verkent alle grenzen van de muze. Neem bijvoorbeeld Job Koelewijn (1962), die de filosoof Spinoza, en dan vooral diens ‘Ethica’ al vaak in zijn kunstwerken heeft gebruikt. In 2008 las hij samen met een aantal vrijwilligers het boek hardop voor, in de Hallen is een installatie te zien, een soort doos, waarin de voorgelezen tekst te horen is. Ook bijbelse figuren kunnen als ‘muze’ gezien worden. Kinke Kooi (1961) is niet religieus opgevoed, maar kwam wel in de ban van de bijbelse Maria – een van de weinige vrouwelijke personages in de godsdiensten. Ze maakte een lange tijd uiterst gedetailleerde potloodtekeningen van Maria. ‘Ik weet niet wat ik precies wil met deze Maria, ik vertrouw er gewoon op dat ik op een gegeven moment automatisch bij het antwoord uitkom’, aldus de kunstenaar in 1993.
Verder gaat het, van Carel Willink, die zijn vrouwen als muze had, en Isaac Israels met zijn naakte lezende Sjaantje van Ingen, naar Pyke Koch, die betoverd was door de verschijning van actrice Asta Nielsen. Maar lang niet altijd ontstaat een muze uit lichamelijke, intellectuele of geestelijke bewondering. Pedro Bakker (1952) nam bijvoorbeeld zijn streng katholieke moeder Afra pas als onderwerp toen hij 54 was geworden, de leeftijd waarop zijzelf zelfmoord pleegde. Op de tekening ‘Burnt home 2’ staat ze temidden van het uitgebrande huis van zijn jeugd, met daarbij de tekst ‘Afra als de gezegende maagd in mijn afgebrande huis’. Een soortgelijke verwerking van een moeilijke jeugd maakte Levi van Veluw (1985), met zijn video ‘Family’. Daarop is een gezin te zien, aan tafel. Met één bijzonderheid: net als de meubels en de kamer zijn ze bedekt met allemaal houten blokjes. Een vervanging voor de in zijn jeugd zo afwezige structuur en samenhang.
De vele kunstwerken, kunstenaars en hun muzes uit een periode van meer dan 150 jaar doen de bezoeker soms duizelen. Maar juist door die veelzijdigheid binnen het thema wordt de presentatie nooit banaal. De tentoonstelling roept vragen op. Hoever gaat de kunstenaar in zijn pogingen om de muze in je kunst tot leven te brengen? Waar eindigt de bewondering, en begint de verstikking?
Erszebet Baerveldt (1968) maakte met haar ‘Pieta’ uit 1992 een aangrijpend videokunstwerk, met simpele middelen. De kunstenaar, die haar voornaam overnam van de Hongaarse, vrouwelijke voorganger van Dracula, is minutenlang in de weer met een kleien mensfiguur die buiten ligt opgebaard. Ze buigt zijn (of haar) benen, ondersteunt zijn hoofd, omarmt hem, net zo lang totdat hij rechtop zit, op de rand van de baar. De muziek die je hoort is naargeestig – het blijkt te komen van de Andy Warhol’s Draculafilm. Eenmaal rechtopgezet is de kunstenaar niet meer te zien, en beeld valt langzaam in brokken klei uit elkaar. Een prachtig werk over de worsteling van de kunstenaar met de materie, bezieling, en de onherroepelijke dood.
O muze!’ is een tentoonstelling die duidelijk maakt dat de muze ook in heel andere vormen kan verschijnen dan de bekende ‘beminde’ of model. De muze van de beeldende kunst is, precies zoals Goltzius al aantoonde, te vinden in alle facetten van het leven. Als je er maar oog voor hebt.

vijf sterren
‘O muze! Inspirerende personen in de Nederlandse kunst sinds 1850’, t/m 30 augustus 2015 in De Hallen, Haarlem. dehallenhaarlem.nl